Er als de kippen bij zijn

Francisca was ermee opgegroeid, maar wennen deed het nooit.
“Ongehoorzame kippen moeten geslacht worden,” zo leidde haar vader het slachtritueel in. Vervolgens pakte hij altijd een van de oudste en dikste kip uit het hok bij haar poten en nam haar mee naar het ‘slachtveldje’ achter de schuur. Ze snapte het niet. Het waren toch juist de kleintjes die overal op klommen en tegen broekspijpen pikten met hun snavels? Maar de kleintjes werden nooit geslacht.

“Fransje,” zei vader vastberaden als ze hem smeekte om de kip terug  te  zetten, “dat gaat niet. Deze kip zaait onrust in de groep.” Ze wist niet wat onrust zaaien was. Ze wist wel wat zaaien was, want dat deed ze in het voorjaar met moeder, maar onrust kende ze niet. Ze had de kippen in de gaten gehouden, om hen erop te betrappen iets te zaaien dat ze nog niet kende. Maar het enige dat de dieren deden was pikken. Granen pikken.

“Nou, kom, ga maar even aan de kant, dan is het zo voorbij.”
Het schrille gekakel vlak voordat de nek werd omgedraaid was hartverscheurend. En het mandje met veren dat vader bewaarde onder de kapstok totdat oude Bep het kwam ophalen, maakte haar altijd aan het huilen als ze haar jas aantrok.

“Je moet je niet hechten aan de kippen,” zei haar moeder als ze half snikkend de keuken betrad, maar het ging vrijwel automatisch als je ze elke dag voerde. Stiekem bedacht ze iedere keer een nieuwe naam voor de kippen. Grientje, Kriek, Hosanna, Pikpok. Ze had al zoveel namen versleten dat haar fantasie was opgedroogd.

“Ik wil de kip niet opeten,” zei ze aan tafel. Haar moeder had het karwei van vader afgemaakt door de kip te plukken en braden. Het idee dat een vriendinnetje op haar bord lag was werkelijk weerzinwekkend.
“Fransje, stel je niet aan. De kip zou het fijn vinden als je hem eet. Hij geeft graag zijn vlees aan jou. Zoveel houdt hij van je.” Haar moeder kon het mooi vertellen, maar ze begreep niet eens dat de kip een meisje was.

Vreugda was haar lievelingskip en iedere keer als vader door het kippenhok graaide met zijn grote handen, was ze bang dat Vreugda aan de beurt was. Vreugda was een sympathieke kip, socialer dan de andere kippen. Ze kon zo grappig tokken, alsof ze een liedje neuriede.
“Papa, ik wil niet dat je Vreugda pakt,” zei ze tegen haar vader, bijna elke week wel een keer. Haar vader haalde zijn schouders op.
“Ik weet niet wie Vreugda is. En je moet ze geen namen geven, kind, dat maakt het te persoonlijk.” Te persoonlijk? Ze woonden in de tuin, ze praatten elke dag, ze waren haar dankbaar voor de granen en gaven eieren. Hoe kon zoiets nou níet persoonlijk zijn?

Toen ze op een koude wintermiddag uit school thuiskwam, stond er een mandje veren bij de kapstok. Fiere, heldere veren die haar direct een vervelend gevoel gaven.
“Papa?” schreeuwde ze naar de woonkamer. “Dat is toch niet Vreugda?” Ze wachtte niet op een antwoord en ging via de achterdeur naar de tuin om het kippenhok te inspecteren. Vreugda zat niet tussen de andere kippen. Ze geloofde niet dat Vreugda stout was geweest. Vreugda was de meest brave kip die ze kende. Als er granen werden gestrooid, dan wachtte zij met eten totdat alle andere kippen klaar waren. En ze kon heel beleefd de granen een voor een uit haar hand pikken. Dat had nog nooit een kip gedaan.

Francisca was ontroostbaar. Elke dag gaf ze de kippen nog braaf hun granen, maar ze werd er steeds verdrietiger door. Het herinnerde haar aan haar lievelingskip die zo parmantig kon stappen. Het werd zo pijnlijk, dat ze steeds minder vaak naar het kippenhok ging. En als ze ging, wanneer vader haar vroeg of ze de kippen al gevoerd had en ze er onmogelijk onderuit kon komen, deed ze het zo snel mogelijk. Soms met haar ogen dicht. Dat hielp niet veel, want het opgewonden getok was bijna net zo erg. De volgende stap waren de oordoppen.

Het liep erg uit de hand, maar niemand had het in de gaten. Als iemand op de eerste lentedag langs was gefietst om negen uur op de bewuste zondagochtend, dan had die persoon Francisca in het midden van het kippenhok zien staan met een blinddoek voor haar ogen, oordoppen in haar oren en een wasknijper op haar neus. Aan haar arm een emmer met granen die heen en weer bungelde. Om haar heen een kakelende, bijna agressieve groep kippen. Ze vlogen krijsend tegen haar aan, doken in de emmer, pikten de granen gewelddadig uit haar handen en verdrongen elkaar. Honger doet dat soort vreemde dingen met levende wezens.

Francisca verloor het evenwicht toen drie kippen tegelijkertijd tegen haar borst aanduwden, met gestrekte pootjes. Ze helde achterover, kon zichzelf niet corrigeren door de zware emmer aan haar arm en viel pardoes met haar hoofd tegen de ijzeren balk van het kippenhok. Francisca raakte hem hard en viel onmiddellijk neer op de grond. De emmer met granen rolde op zijn kant en daardoor waren haar witte vrienden er als de kippen bij. En het volgende wordt beweerd, maar is nooit bewezen. Het gerucht gaat dat de kippen, die ook een tekort aan water hadden, hun dorst lesten met het bloed dat uit het hoofd van Francisca stroomde. Anderen beweren echter dat haar vader zich eenmaal vergist had en niet de nek van een kip omdraaide, maar van zijn eigen dochter. De mensen die de gevoelige aard van Francisca kenden, dachten dat ze zelfmoord had gepleegd in het bijzijn van haar geliefde dieren.

Hoe dan ook, feit was dat slechts enkele maanden na de dood van Vreugda ook Francisca stierf. Francisca had graag haar lichaam gedoneerd aan de kippenfamilie, zoals de kippen al die jaren hun eigen vlees aan haar hadden gegeven. Of, om de woorden van haar moeder te gebruiken: “Ik vind het fijn als de kippen me opeten. Ik geef graag mijn vlees aan hen. Zoveel houd ik van die kippen.” Maar daar dachten haar ouders toch anders over.