Ik houd nu al van Nederland

Safiroun blijft maar kraaien om de vervelende sjaal die afglijdt. Ik sluit me af, heb even geen zin in gezeur aan mijn hoofd. Daar heb ik het mee gehad.

“De douches zijn koud.” (Mijn oudere zus in de ochtend, maar gedoucht had ze wel, want haar haren waren nat.)
“Bah, de douches zijn wéér bezet.” (Mijn jongste zus in de ochtend, toen ze voor de derde keer een poging waagde.)
“Ik lust dit eten niet.” (Mijn broertje in de avond, nadat we onze porties hadden opgehaald en hij onwezenlijk naar zijn bord staarde.)

Iedereen schijnt vergeten te zijn hoe het was thuis. De luchtalarmen, het onheilspellende gesuis van vallende bommen en de allesvernietigende knallen. En daarna, nog erger, de doodse stilte. Want dan wist je dat het fout zat. Hoorde je geschreeuw en gejammer, dan leefde er tenminste nog iemand. Was het stil, dan….

Ik sluit me nu ook af van mijn eigen gedachten. Ook daar heb ik het mee gehad. Ik verlang terug naar de feestavonden met de hele familie bij elkaar, inclusief barbecues en feestelijk versierde boomgaard. Gewoon onbekommerd leven.

Vanuit de verte nadert een gestalte. Safiroun worstelt nog steeds met zijn sjaal. Ik steek mijn handen dieper in mijn zakken en laat mijn gezicht zakken in de wollen sjaal, zodat mijn neus de bovenkant raakt. Ik houd van winterkleding. Nooit geweten, want winterse kleding is thuis niet nodig. Schoenen? Hooguit sandalen zodat je je voeten niet open loopt tegen de scherpe rotsen of op het hete zand. Deze kisten zitten zo stevig en zo comfortabel, dat ik nooit meer anders wil.

Het is een meisje, ik kan nu duidelijk een lange vlecht heen en weer zien bungelen. Van links naar rechts. En weer met een zwiep naar links. Ze beweegt zo sierlijk met haar haren, omdat ze schaatst. Ook dat ken ik alleen van televisie.

Safiroun heeft haar nu ook in de gaten en roept luidkeels: “Kijk, dat meisje daar!”
We hebben nog geen Nederlander gezien, buiten de hekken, en het zorgt voor een vreemd soort opwinding. Nu gaat het gebeuren. De tijd dat we angstvallig opgeborgen zaten achter grote hekken gaat plaatsmaken voor een eerste échte kennismaking met een lokale bewoner.

“Hoe zeg je ook alweer hallo in het Nederlands?” fluister ik naar Safiroun. Een klein wolkje van mijn adem verdampt in de koude lucht. Grappig dat dat gebeurt als je spreekt, of als je hard uitademt. Als je achter het wolkje aan rent en snel genoeg bent, kun je hem weer inslikken.

“Hallo,” zegt Safiroun tegen het meisje zonder mij eerst antwoord te geven. Oneerlijk!
Het meisje stopt en kijkt ons vragend aan. Haar huid is melkwit. Gaat onze huid ook zo verbleken als we lang genoeg in dit koude land verblijven? Grappig.

Het meisje zegt iets. Ik kijk Safiroun vragend aan, maar hij weet het ook niet. In drie weken tijd kun je blijkbaar niet een taal leren. Ze heeft door dat we haar niet begrijpen en ze gaat over op gebaren. Uiteindelijk gebruikt ze het mes van haar schaats om op het ijs te tekenen. Nieuwsgierig buigen we voorover, maar op het ijs staan doen we niet. Dat mag niet van moeder.

“Pas erop dat jullie op het pad blijven!” was haar waarschuwing toen we het centrum verlieten. Nederland zit blijkbaar vol gevaren, want thuis waarschuwt ze ons ook altijd voor de slangen.

“Snap jij wat ze tekent?” Safiroun stoot me aan. Ik concentreer me op de tekening en haal als antwoord mijn schouders op. Het meisje raakt gefrustreerd en tekent er nog iets bij.

“Een piramide!” roep ik uit als ik herken wat ze getekend heeft. “Dat is Egypte.”

Het meisje wijst naar een andere plek op de tekening.
“Ze vraagt of we uit Syrië komen,” vertel ik trots tegen Safiroun. Hij mag dan goed zijn in talen, ik ben altijd beter geweest in aardrijkskunde en geschiedenis. Het meisje heeft een kaart getekend van het Midden-Oosten, of wat daarop lijkt, want de verhoudingen kloppen niet helemaal.

“Sūriyya,” herhaalt het meisje knikkend.

“Ze spreekt Syrisch!” concludeert Safiroun blij en hij vuurt allerlei vragen op het meisje af in onze moedertaal. Hij wordt snel uit zijn droom geholpen wanneer zij op haar beurt haar schouders ophaalt.

Bijzonder om te zien dat het meisje het ook koud lijkt te krijgen in dit winterse klimaat, want ze wijst naar haar schaatsen en springt op en neer om warm te blijven. Zou de kou nooit wennen dan? De warmte in Syrië went toch ook?

Het meisje wijst naar het einde van het ijs en wenkt ons. We moeten met haar meegaan, dat wil ze. Over het ijs? Dat mag niet van moeder.

Safiroun herhaalt mijn gedachten: “Dat mogen we niet, we kunnen niet met haar meegaan.”

Ik kan er niets aan doen, maar mijn kisten gaan vanzelf op het ijs staan. Mijn nieuwsgierigheid wint het van de regeltjes. Net als thuis, wanneer je op de oever van de Eufraat een wilde kat ziet en hem automatisch volgt.

“Niet doen, Mo’omed, niet doen!” roept Safiroun. Hij slaat wild met zijn armen, zodat ze verstrikt raken in zijn losgeraakte sjaal. Ik giechel en kijk naar het meisje dat me vooruit trekt over het ijs. Ook zij glimlacht. Ze wijst naar haar borst.

“Anna,” zegt ze vriendelijk.

Ik wijs naar mijn borst en zeg: “Mo’omed.”

We glimlachen en richten onze aandacht vervolgens op het ijs. Het kraakt vervaarlijk onder mijn kisten, maar het slijpende geluid van haar schaatsen dempt de angst dat we zomaar door het ijs zullen zakken. Aan de horizon vliegt een zwerm vogels, hoger en hoger de lucht in. Gek dat vogels er hetzelfde uitzien als thuis.

Bij de achterdeur trekt Anna haar schaatsen uit en gebaart ze naar mijn kisten. Helaas jongens, ik moet jullie hier achterlaten. Ze roept naar iemand als we het huis binnengaan. Het is aangenaam warm. Heel anders dan in het opvangcentrum. Het voelt bijna als thuis en ik doe snel mijn dikke jas en sjaal uit.

Een vriendelijke dame van middelbare leeftijd begroet ons en praat met Anna. Ik kan me zo voorstellen dat ze vraagt wie ik ben en wat ik kom doen. Dat weet ik zelf eigenlijk ook niet: wat ik kom doen. Kennismaken met de Nederlanders?

“Mama,” zegt Anna terwijl ze naar de vrouw gebaart die door een deur verdwijnt. Dat begrijp ik. We gaan voor de open haard zitten waar een vuurtje brandt. Heerlijk warm. Mama heeft een dienblad met warme chocomel en koekjes tevoorschijn getoverd. Anna wrijft over haar tenen om ze op te warmen. Ze praat tegen me, ook al weet ze dat ik er niets van versta. Het is geruststellend om haar stem te horen en ze mag wat mij betreft uren doorgaan.

Ik houd nu al van Nederland.